In dit artikel zullen we Frederik August Stoett in detail onderzoeken, waarbij we de impact ervan in verschillende aspecten en contexten analyseren. Vanaf zijn ontstaan tot op heden is Frederik August Stoett het onderwerp geweest van belangstelling en debat in meerdere sectoren, wat tegenstrijdige meningen en diepgaande reflecties heeft voortgebracht. Op deze pagina's zullen we ons verdiepen in de betekenis, de invloed en de relevantie ervan, in een poging de reikwijdte en impact ervan volledig te begrijpen. Via een kritische en reflectieve benadering zullen we verschillende perspectieven en benaderingen van Frederik August Stoett behandelen, om de analyse te verrijken en een verrijkend debat te bevorderen.
F.A. Stoett | ||||
---|---|---|---|---|
![]() | ||||
Stoett in 1919
| ||||
Algemene informatie | ||||
Volledige naam | Frederik August Stoett | |||
Geboren | 5 mei 1863 | |||
Geboorteplaats | Leeuwarden | |||
Overleden | 27 april 1936 | |||
Overlijdensplaats | Nijmegen | |||
Geboorteland | ![]() | |||
Beroep | taalkundige | |||
Werk | ||||
Bekende werken | Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden | |||
Dbnl-profiel | ||||
|
Frederik August Stoett (Leeuwarden, 5 mei 1863 – Nijmegen, 27 april 1936) was een Nederlands taalkundige.
Stoett werd geboren als zoon van de gemeente-architect van Leeuwarden. Hij bezocht het stedelijk gymnasium in zijn geboorteplaats, en studeerde vanaf september 1883 aan de Universiteit Leiden. Stoett promoveerde in de Nederlandse letteren op 15 juni 1889.
Hij was vanaf 1888 leraar aan het Stedelijk Gymnasium te Amsterdam, het latere Barlaeus Gymnasium. Daarnaast wijdde hij zich aan de wetenschap rond de Nederlandse taal. Het bekendst is hij geworden met zijn boek over Nederlandse spreekwoorden, waarvan de eerste druk dateert uit 1901. Ook zijn proefschrift, een syntaxis van het Middelnederlands, werd een standaardwerk. Stoett werd in 1919 hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.
Stoett trouwde op 23 juli 1889 in Leeuwarden met de één jaar jongere Pietje van Driesum, eveneens uit Leeuwarden afkomstig. Het echtpaar kreeg een zoon en twee dochters. De beide meisjes stierven in 1904 aan blindedarmontsteking. Zij waren toen zes en acht jaar. Zijn vrouw overleed in 1926. Na zijn pensionering woonde Stoett in Groesbeek. Hij werd begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats te Amsterdam.
Daarnaast leverde hij bijdragen aan de tijdschriften Noord en Zuid, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Nederlandse Spectator, De Amsterdammer en Belfort.