In dit artikel zullen we het onderwerp Flamen (religie) diepgaand onderzoeken, dat op verschillende gebieden onderwerp van belangstelling en discussie is geweest. Vanaf de oorsprong tot de relevantie ervan vandaag de dag, zullen we de vele facetten ervan en de impact ervan op de samenleving bespreken. Door middel van een uitgebreide en rigoureuze analyse proberen we licht te werpen op verschillende aspecten die verband houden met Flamen (religie), waardoor waardevolle informatie en diverse perspectieven worden geboden om de kennis van onze lezers te verrijken. Door gegevens, getuigenissen en relevante onderzoeken bloot te leggen, willen we een complete en objectieve visie bieden die ons in staat stelt het belang van Flamen (religie) in verschillende contexten en situaties te begrijpen.
Een flamen was in de Romeinse tijd een priester toegewijd aan de eredienst van een enkele god. De Flamines werden eerst door de comitia curiata gekozen, weten we van Aulus Gellius, later, na invoering van de lex domitia, door de comitia tributa.
De meest aanzienlijke priesters (flamines maiores) waren:
De functie werd door Numa ingesteld, aldus de meeste schrijvers. In totaal waren er uiteindelijk vijftien flamines aangesteld. De overige twaalf waren:
Het typische gewaad van een priester bestond uit de apex, een muts met een olijfhouten pin erbovenop, de laena, een wollen band die rond de apex was gewikkeld en een laurierkrans.
Van deze priesters is niet veel bekend, alleen de plichten van de Flamen Dialis zijn uitgebreid beschreven. Hij moest uit een patriciërsfamilie stammen en zijn ouders moesten volgens de oude rite zijn getrouwd (confarreatio). Als er een vacature was werden drie kandidaten genomineerd, waarvan er een werd uitgekozen door de comitia, die captus werd genoemd. Deze werd vervolgens door de pontifex maximus ingewijd, waarna hij niet meer onder gezag van zijn vader viel, recht op een lictor had en de toga praetexta mocht dragen. Tevens had hij zitting in de Senaat.
De Flamen Dialis mocht geen knopen in zijn gewaad hebben, geen ring dragen, tenzij deze glad was en geen edelstenen had, geen eed zweren, zich niet ontkleden in de open lucht, niet onder wijnranken lopen, de stad niet langer dan een dag verlaten, geen paarden aanraken of berijden, geen meel, hond, klimop of geit aanraken of zelfs maar noemen of naar een legerafdeling buiten het pomerium kijken. Ook mocht niemand behalve hijzelf in zijn bed slapen en de doos met offerkoeken mocht onder geen beding in contact komen met zijn bed.